Ik ben geboren in Duitsland en verhuisde de eerste achttien jaar naar Nederland, België, Engeland en weer Nederland. Samen met m’n iets jongere zus Dedy had ik een thuis dat ik niet anders kan omschrijven als onveilig. Veel ruzie en weinig communicatie, veel ruimte en weinig vrijheid, veel geld en nauwelijks verbinding. Wat ik thuis niet kwijt kon ontplofte vaak op school: ik werd regelmatig driftig, boos, voelde me snel verongelijkt en probeerde zo de aandacht en liefde te krijgen die ik thuis miste.

In roeien vond ik vanaf m’n dertiende een uitlaatklep. Een manier om opgebouwde spanning, boosheid en verdriet te parkeren, en - zo ontdekte ik later - waardering te oogsten. Lange tijd ben ik boos geweest op m’n ouders. Dat ben ik soms nog steeds, maar ik ben me ook gaan beseffen hoe zij ons op hun manier de liefde hebben gegeven die ze ons gunden. Waardoor ik die liefde weer kan voelen en oprecht kan zeggen: Dankjewel lieve mam en pap, voor het leven dat we door jullie mogen ervaren.

Een paar maanden na m’n eindexamen vertrok ik met een vriend voor ruim zeven maanden naar Australië en Nieuw Zeeland. Binnen drie maanden kwam ik vijftien kilo aan. Nu zie ik hoe onverwerkte zaken in al die vrijheid naar boven wilden komen, hoe ik die pijn niet kon en wilde toelaten en hoe ik m’n vlucht zocht in eten. Diezelfde vijftien kilo waren trouwens ook weer weg toen ik terugkeerde. Want toen die nieuwe zwembroek ook niet meer dichtkon, kwam wilskracht tot de redding.

Weer in Nederland vertrok ik naar Amsterdam, vooral om daar te zijn. Ik ging studeren maar vroeg mezelf niet bewust af: 'Wat wil ik studeren? Waarom wil ik studeren?' Mijn aandacht ging vooral uit naar roeien, vrienden en werken. Na een aantal omzwervingen op de universiteit en op het HBO, tijdens het laatste jaar van een bachelor Media en Cultuur, kwam die eerste vraag weer naar boven. 'Wat wil ik hier nou mee? Kan ik er überhaupt iets mee?'

Ik besloot m’n eigen plan te trekken en zelf een master-programma samen te stellen. In een hoogleraar Cultureel Ondernemerschap (die ook dichter was) vond ik iemand bij ik m’n interesse in creativiteit en ondernemerschap kon samenbrengen. Hij heette me graag welkom, mits ik mijn programma er doorheen kreeg bij de examencommissie. Vier maanden, ettelijke afwijzingen op basis van regels die niet bleken te bestaan, en een gang naar het College voor Beroep op de Examens verder - een week voor de start van de colleges - was er bericht: je mag.

Dat laatste studiejaar ging er een nieuwe wereld voor me open. Diezelfde hoogleraar, Nachoem Wijnberg, werd ook mijn scriptiebegeleider. Met zijn analyses zag ik voor het eerst hoe makkelijk we ons laten vertellen wat waardevol is. Hoe we ons vaak overgeven aan mensen met een bepaalde autoriteit of ‘expertise’ en weinig toekomen aan wat we zelf nou vinden. Ik begon daar zelf gevoeliger voor te worden en leerde eerlijker uit te komen voor wat iets wel of niet met me doet.

Mijn leergang bij Nachoem gaf me een hernieuwd gevoel van kracht. Zo ook The Fountainhead van Ayn Rand, een boek dat verhaalt over een architect die zich niet laat vertellen hoe goede gebouwen er uit zien en zonder compromis blijft staan voor zijn passie. Hoewel ik me niet meer kan vinden in Ayn Rands zwart-witte en polariserende denken, vind ik het nog steeds een fantastisch verhaal over luisteren naar jezelf. Mijn luisteren naar mezelf toen was nog vrij ongericht en stevig verbonden met prestatiedrang. Wat ik natuurlijk nog niet zag...

Na m’n studie reisde ik drie maanden door Canada. Alleen en midden in de winter. Met een romantisch idee over liften door een land waar ik misschien wel wilde wonen en werken. Weer was er alle ruimte en weer kon ik er niet mee omgaan. Al snel liep ik met m’n ziel onder m’n arm en half in paniek over waar ik heen moest om me beter te voelen. Dat werd Montréal: zeven weken Franse les in een prachtige stad waar ik mijn ziel weer even kon parkeren.

Deze keer zag ik wel dat er iets om aandacht vroeg. Dus ging ik in Nederland naar een psycholoog van wie ik na vijf sessies weer afscheid nam omdat ik vond dat het weer goed met me ging. Ondertussen ontpopte mijn ambitie om bij een groot bedrijf te werken zich tot een verlangen naar ondernemen met andere jonge mensen.

Die jonge mensen leerde ik kennen, en met twee van hen begon ik in 2009 met een project dat later WOVOX.com zou heten. Binnen het bedrijf en het anti-kraak kantoor dat ze al hadden, kwam ik met een stoot energie binnenlopen om het klusje te klaren.

Zes weken later liep ik vast. Ik bevond me in een omgeving waar de schenen meegaven wanneer ik er tegenaan schopte. Waar ik werd gezien om wie ik was en niet om wat ik deed en vond te kunnen. Zwetend en met buikpijn dwaalde ik rond op kantoor. Ik laveerde tussen halve paniek en manische positivisme. En toen kon ik niet meer.

Ik herinner me het moment nog waarop ik een brainstorm-vel liet vallen, naar Steven toeliep en hem vroeg of hij even mee naar buiten wilde. Huilend sprak ik de tot dan toe meest ware woorden die ik ooit had geuit: 'Ik weet niet meer wie ik ben. Ik weet niet wat ik hier doe. Ik snap er helemaal niks meer van.' Steven sloeg z’n arm om me heen en begon zachtjes te lachen, vanuit herkenning.

Wat volgde was een wiebelige periode. Ik wilde af van de ‘oude’ Mundo, plaats maken voor de nieuwe. Ik sloeg van de ene kant door naar de andere. Een vriend van mij gebruikte later een mooie metafoor: alsof ik een poster van Pamela Anderson (ik ben van die generatie:-) verwisselde voor een een poster van Buddha. Weer keek ik buiten mezelf. Ik zocht en kreeg hulp, ontmoette bijzondere mensen, liet veel onnodige bagage los, werd rustiger, kwam dichter bij mezelf... én leerde opnieuw iets afknijpen...

Als je benieuwd bent: in het eerste hoofdstuk van Geld, Wat is het ons waard? lees je hoe dit verhaal verder gaat.