Het was even schrikken vorig jaar. Tijdens een proces in de jaartraining van Korrie dender ik over Tom heen. Ik ga te snel, geef hem geen ruimte voor zijn eigen beweging. Hij trekt aan de bel. Hij geeft me terug wat mijn gedrag met hem doet. Ik voel m’n lichaam verstarren. Ik word reactief, wil het bij hem leggen, probeer de bal terug te kaatsen. En dan moet ik naar buiten.

Ik mag buiten spelen, alleen. Wat gebeurde hier nou net? Wat gebeurde er met mij? Vanwaar die haast? Wat is die verharding?

Het is geen leuke spiegel. Ik die altijd zoveel ruimte heb. Ik die altijd open sta voor andere perspectieven. Ik die zo veilig ben voor andere mensen. Tot ik geraakt word waar ik niet geraakt wil worden. 

Zo had ik het nog niet bekeken.

Ik mag er mee oefenen. Voelen dat ik dichtsla en verhard. Voelen dat er een verdedigingsdrang opkomt die de bal wil terugkaatsen. De reactieve neiging de reactieve neiging laten en me niet laten meesleuren. Durven wachten.

Ik kom er achter dat daar de échte oefening zit: durven wachten.

In m’n hoofd weet ik het allang. Durven wachten geeft ruimte aan wat natuurlijk komt. Durven wachten gaat voorbij aan oppervlakkige hunkeringen om werkelijke verlangens een kans te geven. Durven wachten maakt door de prikkels van buiten heen contact met de signalen van binnen. Durven wachten is ‘ik weet het niet’ de tijd gunnen die ‘ik weet het niet’ nodig heeft.

Durven wachten is heel simpel. Niet in de weg gaan zitten met zinloze, reactieve activiteit. ‘Ik’ en mijn haastige, verdovende neigingen hoeven alleen maar opzij te stappen. In de wachtruimte ontstaat levendige, creatieve en positieve actie. Vanzelf.

Waarom is wachten dan zo’n uitdaging? 
Waarom voelt wachten zo onwennig en gek?


Tijdens mijn reis dit jaar in Schotland zie ik mezelf opnieuw als jong kind. Mijn zusje Dedy en ik groeien op in een labiel gezin met heel veel drank. Onze ouders hanteren onbegrijpelijke, tegenstrijdige regels die de hele tijd en zonder aankondiging veranderen. We weten nooit wie ze zijn. Er zijn momenten van liefde, maar ze zijn spaarzaam en voelen altijd als dun ijs. Er is geen enkele basis waar we op kunnen leunen, groeien of vertrouwen. Thuis is dag en nacht onveilig, onberekenbaar en oneerlijk.

Ik leer continu op m’n hoede zijn. Ik leer overal meteen een antwoord op te hebben. Ik leer anticiperen op een bom die ontploft en sta klaar voor de klap. Ik probeer mijn omgeving zo goed mogelijk te controleren. 

Ik doe het onbewust. En mijn systeem rebelleert als een malle. Ik ontplof, ik schop tegen schenen, ik zoek strijd, ik voel me aangevallen, ik trek me terug. Gevoelens die ik niet toelaat komen vervormd naar buiten. Eten, hoge punten halen, sporten, hard werken, haasten. Ik weet niet dat ik vlucht. Ik zie niet waar mijn vluchtgedrag over gaat. Tot ik jaren later niet meer kan en mezelf onder ogen begin te komen.


Durven wachten is me niet met de paplepel ingegoten. En dat komt niet alleen door thuis. Vertragen is niet ‘slim’ in een maatschappij die draait op meetbare prestaties, groei, vooruitgang en snelheid. Als we nu niet kiezen hebben we straks geen keuze. Als we nu niet solliciteren hebben we straks geen baan. Als we nu niet onze agenda vullen is ‘ie straks leeg. Als we nu niet graaien staan we straks met lege handen. Als we onze beurt nu niet pakken is ‘ie straks voorbij.

Dezelfde maatschappij slaat ons aan alle kanten plat met gemiddelden. Zoveel uren slaap per nacht, zoveel maaltijden met zoveel calorieën op die en die tijden, zoveel jaar op school, zoveel uur per week werken van zo laat tot zo laat, minimaal zo veel keer per week gedurende zo lang sporten of bewegen...

De boodschap is helder. Als we niet snel genoeg meelopen missen we de boot. En om mee te lopen hebben we onnatuurlijke ritmes nodig. Want lichaam en intuïtie hebben tijd nodig. Gebeurtenissen laten binnenkomen, dingen laten verteren, luisteren naar de impuls van binnen, durven wachten... het duurt allemaal veel te lang.


Mijn neiging tot verharden voelen en zien maakt ‘em zachter. Ik ken ‘em nu wel. Ik voel hoe ik mezelf en anderen er mee pijnig. Ik wil niet langer geagiteerd handelen en communiceren. Ik voel steeds duidelijker vanuit welke energie ik wél wil leven. Vallend en opstaand ontdek ik hoe leven me toelacht wanneer ik vertraag. 

Durven wachten duurt helemaal niet veel te lang. Vertragen versnelt.

Hoe meer ik me laat leiden door een ritme zonder tijd en hoe meer ik af ga op de prikkel van binnen—wát die prikkel me ook vertelt, hoe meer ik voel dat ik ben waar en wanneer ik moet zijn. Ik ruim minder puin van te snel gemaakte beslissingen. Ik draai minder terug van te snel genomen afslagen. Ik laat meer ruimte voor verteren en heb meer ruimte voor inspiratie. Ik ben minder aan het repareren en meer aan het creëren.

Ik vind de metafoor van modder in een glas water zo mooi. Bij troebel water is mijn eerste neiging om heel hard te gaan roeren—‘Ik kan niks meer zien, die modder moet weg!’ Maar als ik stop zakt de modder vanzelf naar de bodem en wordt het water vanzelf weer helder. In die helderheid is er een kalm weten wat er nodig is. Wachten blijkt vaak ‘productiever’ dan ‘doen’.


Sinds ik tijdens het jaartrainingsweekend buiten mocht spelen is het oefenen. De show die niet doorging werd een groot succes en m’n adapter was toch niet stuk, open blijven wanneer iemand me raakt waar het pijn doet, de agenda leeg laten en her en der vullen met spontane afspraken, ongelezen mails behandelen als een suggestie en niet als een verplichting...

Ik leer van de momenten dat ik op m’n bek ga en van de keren dat ik het anders doe dan ik gewend ben. Een paar weken terug schreef ik dat het nooit te laat is om de verbinding te herstellen. Nu, op weg naar Portugal, zie ik de grootste dingen weer uit de kleinste hoekjes komen.


Ik logeer deze week bij Amaia in San Sebastián, Spanje. Ik was van plan om hier één of twee nachten blijven en dan weer door te liften. Amaia reageert blij op mijn komst en zegt me zo lang te blijven als ik wil. Ik heb zin om te schrijven en na drie nachten nog geen zin om te gaan.

Schrijven is steeds meer liggen, niet forceren, benieuwd zijn, wachten en aan het eind van de dag verrast terugkijken op ‘dit had ik vanochtend niet kunnen bedenken’. 

In 2014 loop ik acht dagen door de bergen van Schotland. Op dag drie ga ik van het pad af. Dagenlang ben ik compleet alleen. Doorlopen terwijl ik moe ben en niet eten terwijl ik honger heb blijken levensgevaarlijk. Ik moet een paar keer misstappen voor ik me realiseer: ‘Als ik nu ongelukkig val is het waarschijnlijk klaar.’ Mijn telefoon heeft geen bereik en zit diep in mijn tas weggestopt. ’s Nachts wordt het nooit helemaal donker. Ik heb nauwelijks besef van tijd.

Ik leer de klok loslaten en luister naar de signalen van binnen. Moe? Stoppen en rusten, ook al ben ik net begonnen. Honger? Stoppen en eten, ook al heb ik een uur geleden gegeten. Klaar met vandaag? Nu een plek zoeken en m’n tent opslaan, ook al zie ik verderop een mooiere berg. 

Voor ik ga slapen trek ik voor de afgelopen dag een stippellijn van start- naar eindpunt. Bijna elke dag blijk ik meer dan zestien kilometer gelopen te hebben. Ik draag twintig kilo op m’n rug in een gebied dat geen centimeter vlakke grond kent. M’n voeten zakken continu weg in zompige grond. En toch loop ik zestien kilometer of meer. Ik denk niet dat ik dit met voorbedachte rade had klaargespeeld, laat staan dat ik er plezier aan zou hebben beleefd. Vertragen versnelt.

Terug in de bewoonde wereld is het niet anders. Luisteren naar ons lichaam is van levensbelang. We doen het alleen zo weinig omdat niet luisteren ons minder direct met consequenties om de oren slaat. Burnouts en hartaanvallen zijn vaak jaren, stilletjes in de maak.

Consequenties slaan mij steeds directer om de oren. Ik kan beter voelen wat vechten tegen de stroom met mij en anderen doet. Én—dat is het leuke—het omgekeerde maak ik ook mee.


Dinsdag heb ik zo’n ochtend dat het niet ‘wil’. Heerlijk geslapen, rustig oefeningen gedaan, lekker ontbeten, een ideale start van de dag en nul energie. 

Godver... dit is niet zoals ik het gepland had.

OK, liggen. Wachten. Vertrouwen. In slaap vallen. Om twee uur ’s middags wakker worden. Oh, da’s laat. Nou, tijd om te lunchen. Maar ik heb geen honger. Ja maar het is lunchtijd. Ja maar ik heb geen honger. Ja maar ik ga toch niet niet eten?

Ik ken dit nu wel. Het patroon dicteert dat ik nu ga eten. Het patroon zegt me dat ik straks op het verkeerde moment trek krijg en ’s avonds niet meer wil eten en dan...

Ik wacht. Eerst maar wat oefeningen doen. OK, dat voelt stiller. En nu even zitten, ogen dicht.

Helderheid. Ik voel wat ik mezelf aandoe als ik nu toch ga eten. Een ruimte vullen die niet gevuld wil worden. M’n systeem belasten. Mezelf moe maken. Gedwee het patroon volgen is mezelf en mijn creativiteit onderdrukken. 

Ik doe dit ikweetniet hoe vaak. Niet alleen met eten, maar met alles. 

Wow. Dus als ik het omdraai... wat een ruimte en energie...

Ik zie beelden van mijn liftavontuur afgelopen zondag. De familie Baron, niet meelunchen, een blikje amandelen, Dominique, perziken... De laptop gaat open. Dit had ik vanochtend niet kunnen bedenken.

Op weg naar het vliegveld van Clermont-Ferrand zet Cees me af bij een benzinepomp aan de snelweg. Mijn vader en Ilona vliegen terug naar Nederland. Cees en Saskia blijven nog een paar weken in hun huis hier. Ik ga naar Portugal liften.

Mijn eerste bestemming is Amaia in San Sebastián. Ik heb haar jaren niet gezien en zin om haar weer te ontmoeten. Ze woont 650 km verderop. Het is nog vroeg dus met een beetje mazzel ben ik er vanavond.

Ik spreek een familie aan. De vrouw reageert vriendelijk. De dochter lacht vriendelijk. De auto is te vol. Iets met St. Jean en dan nog iets. Mijn Frans doet het nog niet helemaal. 

Ik vraag verder bij andere mensen. Iedereen gaat de andere kant op.

De vrouw komt naar me toe. 
‘We hebben even nagedacht. Als je tas niet te groot is kan je mee.’ 
Ik wijs mijn rugzak aan.
—‘Is dat te groot?’
‘Oh, dat is wel erg groot. Ik weet het niet.’
—‘Het is aan jullie. Ik ga graag mee als het kan.’
De man zegt: ‘Ja dat gaat wel lukken, gewoon bovenop leggen.’
—‘Super! Waar gaan jullie ook alweer heen?’
‘St. Jean de Luz.’
—‘Waar ligt dat?’
’25 kilometer van San Sebastián. Het is één van de laatste stadjes voor de grens.’

Ik maak een vreugdesprong. ‘Encroyable!’ Ik duik bijna de auto in. Tien minuten nadat Cees wegrijdt heb ik een rit voor de eerste 625 kilometer...

Michaëla komt uit Roemenië. Daar heeft ze Jean-Yves (‘Jay-Y’) ontmoet. Clara is nu bijna achttien en net klaar met school. We praten, delen over onszelf, spreken af om straks wat Qigong oefeningen te doen en we zijn stil. 

Rond twaalf uur hoor ik gepraat over ‘een plek om wat te gaan eten.’ Mijn hoofd begint met scenario’s: ‘Ik lunch graag met jullie mee maar...’ en dan iets met ‘ik kan mijn deel niet betalen’ of ‘zoals ik jullie al vertelde...’. Ik laat mijn hoofd. Wachten, zien wat er gebeurt, benieuwd zijn... Dat voelt rustiger. 

Trouwens, heb ik eigenlijk wel trek? Ja maar als zij straks gaan eten dan... En dat is mooi oefenen met ontvangen, ook al heb ik geen trek. Dat is de oefening toch? Oh, is de oefening niet om naar mezelf te luisteren? Euhm, OK, stop. Benieuwd zijn. Genieten van de rit nu.

We lopen een mega groot Frans wegrestaurant in. Michaëla en Clara gaan naar de WC. Jay-Y koopt een broodje. Ik sta een beetje te kijken. Ik zie niets waar ik zin in heb. Ik laat de neiging om ongevraagd woorden vuil te maken aan mijn positie. Michaëla en Clara komen terug. 
‘Waar heb je zin in?’
—‘Ik ga niets eten?’
‘Ik nodig je graag uit.’
—‘Dankjewel, dat vind ik heel lief, maar ik merk dat ik geen zin heb om te eten.’
‘Ik ken het gevoel.’
We eten samen en ik eet niet mee. Heerlijk.

Om vier uur ’s middags komen we aan in St. Jean. We maken een foto en wisselen email adressen uit. Jay-Y geeft me een Victorinox zakmes. ‘Met tandenstoker. Super handig. Bon courage!’

Ruim zeven uur en 600 kilometer na onze ontmoeting ben ik bijna in San Sebastián. De dag is omgevlogen.

Zo. En nu is het wel tijd om te eten. Zal ik m’n blikje amandelen aanbreken?
—Nee, heb ik geen zin in.
Ja maar ik moet toch iets eten? Het is ruim acht uur geleden sinds ik heb ontbeten.
—Ja, dat kan. Maar ik heb geen zin in amandelen. Een stuk fruit, dat zou wel lekker zijn.
Heb ik niet. Dus... Amandelen?
—Ik ga eerst wel even lopen. Ik zie wel. Straks misschien.

Ik loop twee kilometer en dan stoppen Dominique en zijn Volkswagen transporter busje.


‘Waar ga je heen?’
—‘San Sebastián.’
‘Ik woon in Hendaye. Stap maar in. Is toch weer een stukje.’

‘Waar kom je vandaan?’
—‘Uit Nederland.’
‘Oh Nederland! Ik ben in 2003 met dit busje naar Nederland gereden, naar Rotterdam en Amsterdam en toen door naar de Mont Blanc. Maar er was te veel sneeuw en ik had geen sneeuwkettingen dus moest ik weer terug. Je hebt een goede glimlach op je gezicht. Ik breng je wel naar de grens.’

We stoppen vlakbij het treinstation.
‘Je kan hier naar links. Al het verkeer gaat richting San Sebastián. Maar wat je ook kan doen, als je wil, is hier bij het station een treintje pakken. Kost volgens mij iets meer dan twee euro.’
—’Nou, ik zit in een experiment. Ik leef en reis zonder geld. Dus ik ga liftend verder.’
‘Ah.’ Dominique steekt zijn wijsvinger op en draait zich om. Één perzik, twee perziken, drie perziken. Hij wil me nog een vierde geven.
—‘Wow, Dominique, dankjewel. Drie is meer dan genoeg. Mag ik nog een foto van je maken?’
Na de foto houdt Dominique zijn hand uit.
‘Hier, voor de trein. Ik geef je ook nog wat muntjes waarmee je karretjes bij de supermarkt van hun slot kan halen. Bon voyage en dank voor de mooie ontmoeting!’

Een uur later sta ik in San Sebastián bij Amaia op de stoep.


Was ik Dominique niet tegengekomen als ik wél m’n blik amandelen open had getrokken? Had ik geen perziken en een treinritje naar San Sebastián gekregen als ik wél had mee-geluncht met de familie Baron? 

Ik heb geen idee. Ik kan niet zeggen ‘als dit dan dat’. 

Misschien wil ik met dit schrijven alleen maar een levend gevoel delen.

Binnen de veilige marge van aangeleerde patronen sta ik nooit voor verrassingen. Maar als ik durf te wachten, durf toelaten wat ik misschien niet wil voelen, durf te verblijven in een oncomfortabele ruimte, durf te vertrouwen dat de juiste beweging er straks is als ik nu volg wat goed voelt... ik krijg elke keer weer enthousiasme, energie en mogelijkheid kado.

Voeding—voorbij patronen, ideeën, sociaal-wenselijk gedrag en de schijf van vijf—is volgens mij heel simpel: wat is er nu wensende? Waar heb ik nu écht zin in? Wat voelt nu goed voor me? Wat vervult me, écht?

Is voeding klein en onbenullig? Zijn er geen belangrijkere dingen? Ik kan klein en groot niet meer zo goed scheiden. Hoe ik eet is hoe ik leef. Ik ben hoe ik eet.


Ik heb genoeg gerebelleerd tegen opgelegde en aangeleerde patronen. Maar ik geloof niet meer dat ze ons onder de duim houden. Niets en niemand verleidt of dwingt ons tot ongelukkig gedrag. Haastige spoed in een snelle wereld nodigt ons uit om tot leven te komen. En levendigheid laat zich niet plannen.

Veel liefs vanuit San Sebastián, morgen door naar Portugal!

 

P.S.
Als mijn schrijven je op de een of andere manier ontmoedigt wil ik je een hart onder de riem steken. Ik raak een gebied aan waar veel mensen onder gebukt gaan. Verharden, haasten, teveel eten, hard werken, te weinig eten, in ons hoofd wonen, levendigheid in de weg zitten: ze kunnen aangeleerde patronen zijn en symptomen van verslaving.

Verslaving komt voor uit traumatische ervaringen en uit een leven leiden dat niet levendig voelt. Verslaving redt ons van gevoelens die we nog niet aankunnen en waarschuwt ons dat we uit verbinding zijn.

Ik heb mijn eigen portie verslavingen gehad. Ik heb ze niet kunnen aanpakken zonder onderliggende oorzaken te onderzoeken. En ik heb ze niet in één sessie kunnen aanpakken.

Mijn lichaam en systeem zijn zich aan het helen. Ik voel me vrijer, lichter, creatiever, vrediger, meer verbonden met écht leven. En zoals ik eerder schreef: lamlendig, futloos, klein en onzeker. Ik leer ervaringen zien voor wat ze zijn— passerende wolken, zonnen, uitnodigingen en deuren—en ze niet te verwarren met wie ik ben. 

Voor mij is durven wachten ruimte maken voor contact met wie ik werkelijk ben. Boven alles ben ik ook hierin vooral een leerling die samen met anderen ontdekt.

En om samen te vieren draag ik dit schrijven op aan Amaia. Vijf dagen mag ik bij haar zijn en met haar delen. Gisteren gaf ze mij een osteopathische behandeling. Osteopathie is mij niet vreemd, maar hoe en waar Amaia me gisteren raakte... bizar. Amaia, dankjewel voor je helende handen en hart, eres mi amiga del alma!

P.S.2
Wat ik nu deel is wat ik op dit moment ontdek. Ik wil durven wachten niet platslaan op een truukje. ‘Als ik zolang wacht dan...’ heb ik meerdere malen geprobeerd. Ik kwam bedrogen uit. Het is de andere kant van dezelfde medaille: de natuurlijke beweging bedwingen.

Mijn conditionering bestond uit nooit stil staan. Durven wachten werd mijn oefening. Misschien kent jouw leven een overmaat aan wachten en heb je juist meer beweging nodig. Hoe dan ook, ik ben benieuwd waar dit schrijven jou raakt.

5 Comments